De Kinderboekenweek heeft iets heerlijks: ineens mag lezen net wat groter, vrolijker en gekker. Maar eerlijk is eerlijk, je hebt ook gewoon spelling, gymtassen die kwijt zijn en een leerling die precies tijdens het voorlezen een wiebeltand ontdekt. Met een paar haalbare keuzes maak je er een boekenfeest van zonder dat je klas ontploft.
Begin met een opening die je zelf ook overleeft
Een goede start hoeft geen complete schoolshow te zijn. Sterker nog: hoe simpeler, hoe groter de kans dat je het volhoudt tot het einde van de week.
Voor groep 1/2 werkt een voorleesstoel heel goed. Zet een stoel midden in de kring, hang er een lap stof overheen, leg er een belletje naast en klaar. Wie op de stoel zit, leest voor, vertelt een prentenboek na of laat een lievelingsbladzijde zien. Duur: 10 minuten. Materiaal: een stoel, doek, belletje en een stapel boeken.
In groep 3/4 kun je starten met een boekencatwalk. Kinderen lopen met hun lievelingsboek door de klas alsof het een bijzonder kunstwerk is. Ze noemen alleen de titel en één zin: “Dit boek is grappig omdat de juf verandert in een kikker.” Meer hoeft niet. Juist dat korte maakt anderen nieuwsgierig.
Voor de bovenbouw is een boekenspeeddate fijn. Leg boeken op tafels, zet een timer op twee minuten en laat kinderen steeds een stukje lezen: de achterkant, de eerste bladzijde, een bladzijde middenin. Na elke ronde schuiven ze door. Laat ze op een post-it een hartje, vraagteken of kruisje zetten. Hartje is: wil ik lezen. Vraagteken is: misschien. Kruisje is: nee, dank je, ik blijf liever bij mijn eigen smaak.
Kleine tip: open op maandag niet met vijf onderdelen. Eén ritueel is genoeg. Als het bevalt, bouw je het uit. Als het rommelig wordt, heb je tenminste niet ook nog een rookmachine beloofd.
Maak voorlezen het vaste anker van de dag
Voorlezen is tijdens de Kinderboekenweek je makkelijkste feestversiering. Je hoeft niets te knippen, niemand krijgt lijm in het haar en toch gebeurt er iets in de klas.
Kies een vast moment. Na de kleine pauze werkt vaak goed, of net na de lunch wanneer de broodtrommels dicht zijn en de energie nog alle kanten op schiet. Lees 10 tot 15 minuten voor. Bij kleuters mag dat korter, zeker als het boek veel platen heeft en kinderen willen reageren. In de bovenbouw kun je prima een spannend hoofdstuk kiezen en expres stoppen op een rotmoment. Ja, dat is een beetje gemeen. Het werkt wel.
Maak het ritueel zichtbaar. Schrijf op het bord: “Voorleesalarm om 11.15 uur.” Zet er een klein boek-icoontje bij. Kinderen vinden voorspelbaarheid fijn, en jij ook, vooral op woensdag.
Een paar variaties die weinig voorbereiding vragen:
- De mysterieuze voorlezer: een collega, ouder, conciërge of bovenbouwer leest 10 minuten voor. Laat de klas raden wie er komt aan de hand van drie hints.
- De verboden bladzijde: lees één bladzijde voor zonder de titel te noemen. Kinderen raden uit welk boek het komt, of wat voor boek het zou kunnen zijn.
- Voorlezen met geluid: bij een prentenboek maken kinderen zachte achtergrondgeluiden. Regen met vingers op tafel, voetstappen met twee handen op de knieën. Spreek wel vooraf een stopteken af, anders heb je ineens een stormorkest.
Bij groep 5 t/m 8 kun je ook een voorleesjury instellen. Laat kinderen na elk voorleesmoment één woord opschrijven dat bij het fragment past: spannend, vies, zielig, saai, vreemd, grappig. Aan het einde van de week bekijk je welke woorden het vaakst voorkwamen. Het gesprek dat dan ontstaat is vaak beter dan een keurige boekbespreking.
Laat boeken door de klas bewegen
Boeken hoeven niet stil in een kast te staan. Juist tijdens de Kinderboekenweek mag een verhaal de klas in rollen, op tafels liggen en zelfs een beetje in de weg zitten.
Maak bijvoorbeeld een boekentafel met drie vakken: “wil ik lezen”, “ben ik aan het lezen” en “uitgelezen”. Gebruik bakken, hoepels of gewoon drie A3-vellen. Kinderen verplaatsen hun naamkaartje of wasknijper. Zo ziet de klas dat lezen iets is wat groeit. Voor groep 3 werkt dit met plaatjes van boeken; voor groep 7/8 kun je er korte leeskaartjes bij leggen.
Een andere fijne activiteit is de boekenbingo. Maak een bingokaart met opdrachten die niet te braaf zijn. Bijvoorbeeld:
- Lees een bladzijde waarin iemand boos is.
- Zoek een boek met een dier op de kaft.
- Lees op een gekke plek in de klas, maar niet onder het bureau van de meester of juf. Daar ligt al genoeg.
- Vraag iemand om een boekentip.
- Lees de eerste zin van drie verschillende boeken.
Duur: 20 minuten per keer, of verspreid over de week. Materiaal: bingokaarten, potloden en genoeg boeken. Geschikt voor groep 3 t/m 8, met hulp bij jonge lezers.
Voor kleuters kun je “zoek het verhaal” spelen. Leg voorwerpen uit een prentenboek in de kring: een rode laars, houten lepel, knuffelmuis, sleutelbos. Lees het boek voor en laat kinderen aanwijzen wanneer het voorwerp in het verhaal past. Dit houdt ze betrokken zonder dat je steeds “ssst” hoeft te fluisteren alsof je in een bibliotheek met slapende baby’s zit.
Knutsel iets dat bij een boek hoort, niet zomaar iets met boeken
Knutselen tijdens de Kinderboekenweek is fijn, maar het wordt sterker als het echt aan een verhaal vastzit. Dan is het geen losse kleurplaat met een stapel boeken erop, maar een manier om een personage, plek of probleem uit een boek te pakken.
Een boekendoos is een goede klassieker voor groep 4 t/m 8. Kinderen kiezen een boek en vullen een schoenendoos met vijf dingen die bij het verhaal horen. Dat mogen tekeningen zijn, kleine voorwerpen, woorden op kaartjes of iets zelfgemaakt. Laat ze aan een maatje uitleggen waarom elk ding in de doos zit. Duur: één les van 45 minuten om te maken, korte presentaties later in de week. Materiaal: schoenendozen, papier, stiften, restmateriaal, lijm.
Voor groep 1/2 en 3 kun je een personage op ware grootte maken. Rol behangpapier uit, trek de omtrek van een kind over en verander die samen in een figuur uit het boek. De klas kiest wat erbij moet: grote oren, een kroon, modderlaarzen, een rugzak vol broodjes pindakaas. Hang het personage op de deur. Dat geeft meteen Kinderboekenweekgevoel zonder dat je hele lokaal verbouwd hoeft te worden.
In de bovenbouw werkt een alternatieve kaft goed. Kinderen ontwerpen een nieuwe voorkant voor een boek, maar ze mogen de titel niet gebruiken. Alleen beeld, kleur en sfeer. Daarna raden klasgenoten welk boek het is. Dit dwingt ze om na te denken over de kern van het verhaal, zonder dat je er een zwaar verslag van maakt.
Let op met open knutselopdrachten vlak voor een toets of net na gym. Dan wordt “maak een boekfiguur” al snel “we bouwen een kartonnen kasteel met twaalf verdiepingen en iemand huilt omdat de lijm op is”. Plan dit op een moment waarop rommel mag bestaan.
Geef kinderen een rol in het boekenfeest
De Kinderboekenweek voelt meer van de klas als kinderen zelf iets mogen dragen. Niet alles, want dan ben jij alsnog de persoon die dertig losse plannen probeert te redden. Kies kleine rollen.
Maak bijvoorbeeld elke dag twee boekentippers. Zij krijgen drie minuten om een boek aan te prijzen. Geef een vast format op het bord:
- Titel en schrijver
- Voor wie is dit boek geschikt?
- Lees één stukje voor
- Waarom moet iemand dit boek pakken?
Bij jonge kinderen kun je dit mondeling in de kring doen. Ze mogen het boek vasthouden en één plaat aanwijzen. Dat is al genoeg.
Een boekenpolitie kan ook, maar houd het vriendelijk. Twee kinderen controleren aan het einde van de dag of boeken netjes terugstaan, of de boekentafel nog klopt en of er geen boeken onder kasten zijn verdwenen. Noem ze liever boekenspeurders als je klas van badges houdt. Een papieren badge doet wonderen, zeker bij kinderen die normaal vooral speuren naar uitvluchten om niet op te ruimen.
Voor groep 6 t/m 8 is een mini-redactie leuk. Een groepje maakt elke dag een boekennieuwtje voor op het bord: “Meest gekozen boek van vandaag”, “Vreemdste titel”, “Zin van de dag” of “Boek dat niemand durfde te pakken maar toch goed bleek”. Dit kost 10 minuten en geeft veel gesprek.
Wordt de klas erg druk van alle extra’s? Plan tussendoor een korte beweegpauze. Een simpele klap- of stilte-energizer kan precies genoeg zijn om daarna weer te lezen. Je kunt er makkelijk eentje halen uit 10 energizers voor tussen de lessen door, en dan terug naar de boeken.
Sluit af met iets kleins dat blijft hangen
Een afsluiting hoeft geen voorstelling met ouders, microfoons en paniek om 14.20 uur te zijn. Een kleine boekenmarkt in de klas is vaak al feestelijk genoeg. Laat kinderen hun boekendoos, nieuwe kaft, boekentip of favoriete bladzijde op tafel leggen. De helft van de klas loopt rond, de andere helft blijft bij het werk staan. Na tien minuten wissel je. Geschikt voor groep 3 t/m 8. Bij kleuters kun je het in kleine groepjes doen met prentenboeken en knutselwerk.
Een boekenlint door de gang is ook mooi. Ieder kind schrijft op een strook papier één boekentip: “Lees dit als je houdt van draken”, “Lees dit als je soms moet lachen om poepgrappen”, “Lees dit als je van zielig houdt maar niet té zielig.” Niet te netjes maken. Juist de echte kinderzinnen zorgen dat anderen blijven staan.
Wil je iets mee naar huis geven, laat kinderen een boekenbon maken die niets kost. Op de bon staat: “Goed voor 10 minuten voorlezen”, “Goed voor samen naar de bieb”, of “Goed voor een boekentip van mij”. Laat ze er eentje aan iemand thuis geven. Sommige bonnen verdwijnen onder in een tas naast een oude banaan, dat hoort erbij. Een paar worden echt gebruikt, en daar doe je het voor.



