Kwart over twee. De helft van je klas hangt over tafel, iemand slijpt voor de derde keer een potlood en achterin ontstaat ineens een discussie over wie er aan de beurt was bij Uno. Dan helpt een korte energizer vaak beter dan nóg een waarschuwing.

Deze tien tussendoortjes kosten weinig tijd, vragen bijna geen materiaal en zijn makkelijk aan te passen aan groep 1 t/m 8. Kies er eentje die past bij het moment: druk eruit, energie erin of gewoon even lachen.

1 en 2: als je klas te lang heeft stilgezeten

Sta op als...

Dit is een fijne om beweging te krijgen zonder dat de stoelen meteen door de klas vliegen. Geschikt voor groep 3 t/m 8, maar kleuters kunnen ook meedoen als je de zinnen simpel houdt. Reken op 3 tot 5 minuten. Je hebt niets nodig.

Jij zegt een zin die begint met: “Sta op als...” De kinderen voor wie het klopt, gaan staan en zitten weer. Daarna komt de volgende zin.

Voorbeelden:

  • Sta op als je vanochtend brood hebt gegeten.
  • Sta op als je van lezen houdt.
  • Sta op als je liever patat dan pannenkoeken eet.
  • Sta op als je vandaag al iemand hebt geholpen.
  • Sta op als je denkt dat de juf of meester koffie nodig heeft.

Maak het tempo lekker hoog. Bij de bovenbouw kun je er ook inhoud in stoppen: “Sta op als je weet wat een bijvoeglijk naamwoord is.” Laat één kind kort uitleggen waarom die is gaan staan. Niet te lang, anders ben je ineens weer een les aan het geven en dat was nou net niet de bedoeling.

Valkuil: kinderen gaan elkaar verbeteren. “Jij houdt helemaal niet van spruitjes!” Spreek vooraf af: je antwoord is van jou, commentaar houden we binnenboord.

Tafeldans zonder muziek

Voor groep 4 t/m 8 is dit een snelle beweegbreak waarbij de kinderen op hun plek blijven. Duur: 2 tot 4 minuten. Materiaal: geen, al mag muziek natuurlijk wel als je zin hebt in extra sfeer.

Noem telkens een beweging die bij een getal hoort. Bijvoorbeeld:

1 = klap in je handen
2 = tik je schouders aan
3 = stamp zacht met je voeten
4 = draai je polsen
5 = handen in de lucht

Roep daarna cijferreeksen: “1, 1, 3, 5!” De kinderen doen de bewegingen mee. Na een minuut laat je een leerling de reeks bedenken. Wil je het moeilijker maken? Gebruik tafelantwoorden: jij zegt “6 x 4” en de klas doet beweging 24, maar dan moet je natuurlijk eerst bewegingen tot 30 hebben afgesproken. Dat is leuk, maar ook een tikkie veel voor een dinsdag na de gym.

Handig bij een rumoerige klas: laat alle bewegingen boven de tafel blijven. Geen rondlopende kinderen, geen botsende stoelen.

3 en 4: als de concentratie wegzakt

De stille dirigent

Deze werkt goed vanaf groep 3, en in de bovenbouw vinden ze hem stiekem ook leuk als je het niet te kinderachtig brengt. Duur: 5 minuten. Materiaal: geen.

Eén kind gaat even op de gang. De klas kiest een dirigent. Die start een stille beweging, bijvoorbeeld tikken op de knie, wrijven in de handen of met twee vingers trommelen op tafel. De rest doet zo onopvallend mogelijk mee. Het kind van de gang komt terug en probeert te raden wie de dirigent is. De dirigent wisselt af en toe van beweging.

Dit spel vraagt aandacht, kijken en stil samenwerken. Precies wat je wilt tussen twee lessen in. Spreek wel af dat de bewegingen klein blijven. Geen complete interpretatiedans naast de kast, hoe indrukwekkend ook.

Variant voor kleuters: laat de zoeker in de kring zitten en wijs zelf de dirigent aan. Houd de bewegingen zichtbaar: klappen, zwaaien, tikken op je hoofd.

Wissel van plek als...

Een klassieker, maar hij werkt. Geschikt voor groep 1 t/m 8. Duur: 5 minuten. Materiaal: stoelen in een kring, of gewoon staan achter de eigen stoel als je geen zin hebt in verbouwen.

Jij zegt: “Wissel van plek als je...” en vult aan. Kinderen voor wie het klopt, zoeken een nieuwe plek. Bij kleuters houd je het concreet: “...rode sokken draagt” of “...een huisdier heeft.” Bij oudere kinderen kun je het koppelen aan de lesstof: “...een breuk kunt noemen die gelijk is aan een half” of “...weet wat het onderwerp in een zin is.”

Wil je geen chaos? Gebruik dan de veilige versie: kinderen wijzen eerst naar de plek waar ze heen willen, wachten op jouw teken en lopen dan pas. Dat haalt de sprintwedstrijd eruit.

Ook handig: één regel vooraf. Niet duwen, niet rennen, niet gillen alsof er een wesp in de klas zit. Wie vergeet dat het een klaslokaal is, doet één ronde zittend mee.

5 en 6: als je juist rust nodig hebt

Ademtekenen

Voor groep 1 t/m 8, vooral fijn na buitenspelen, gym of een iets te levendige samenwerkopdracht. Duur: 3 minuten. Materiaal: papier en potlood, of alleen een vinger op tafel.

De kinderen tekenen langzaam een vorm terwijl ze ademhalen. Bijvoorbeeld een berglijn: omhoog tekenen terwijl je inademt, omlaag terwijl je uitademt. Of een vierkant: één zijde inademen, één zijde vasthouden, één zijde uitademen, één zijde rust.

Bij kleuters kun je zeggen: “We tekenen een rustige golf.” Bij de bovenbouw kun je het gewoon nuchter houden: “We doen drie minuten reset, daarna kunnen we weer normaal nadenken.” Dat klinkt minder zweverig en voorkomt gegiechel bij de eerste diepe zucht.

Laat niemand verplicht met de ogen dicht zitten. Sommige kinderen worden daar juist onrustig van. Kijken naar je potloodpunt is vaak al rustig genoeg.

Meer van dit soort korte pauzes passen mooi bij Energizers & tussendoortjes, zeker op dagen waarop je rooster voelt als een blokkendoos die steeds omvalt.

Luister en wijs

Dit is een rustige luisteroefening voor groep 1 t/m 5. Duur: 2 tot 4 minuten. Materiaal: geen.

De kinderen zitten of staan op hun plek. Jij noemt iets in de klas, maar ze mogen alleen wijzen. Niet praten. Begin simpel: “Wijs naar iets roods.” “Wijs naar iets dat kan rollen.” “Wijs naar iets dat geluid maakt.” Daarna maak je het iets slimmer: “Wijs naar iets dat langer is dan je potlood.” “Wijs naar iets met een rechte hoek.” “Wijs naar iets dat je nodig hebt bij spelling.”

Het mooie is dat iedereen mee kan doen, ook kinderen die even geen zin hebben om voor de groep te praten. Je ziet meteen wie nog half in de pauze hangt en wie alweer bij de les is.

Valkuil: wijzen verandert soms in zwaaien, tikken of halve turnbewegingen. Zeg vooraf: je arm beweegt, je lijf blijft op je plek. Scheelt weer een elleboog tegen een etui.

7 en 8: als er gelachen mag worden

Standbeeld met opdracht

Geschikt voor groep 1 t/m 8. Duur: 5 minuten. Materiaal: eventueel muziek, maar zonder kan ook.

De kinderen bewegen rustig door de klas of achter hun stoel. Jij klapt, tikt op het bord of stopt de muziek. Dan bevriezen ze als standbeeld. Geef steeds een opdracht voor het standbeeld:

  • Bevries als iemand die net een citroen proeft.
  • Bevries als een superheld die te laat is.
  • Bevries als een kat die doet alsof die niets heeft gedaan.
  • Bevries als een directeur met heel slecht nieuws.

Bij kleuters mag het groot en duidelijk. In de bovenbouw werkt droge humor beter. Laat één of twee standbeelden kort zien, niet iedereen om de beurt, want dan ben je zo tien minuten verder.

Maak de loopruimte klein als je lokaal vol tafels staat. Achter de stoel bewegen is echt prima. Niemand heeft een blauwe knie nodig voor een energizer.

Het verboden woord

Voor groep 5 t/m 8. Duur: 3 tot 6 minuten. Materiaal: geen, eventueel een woord op het bord.

Kies een verboden woord, bijvoorbeeld “ja”, “nee”, “ik” of een woord uit de les. Stel daarna snelle vragen aan de klas. Wie antwoordt zonder het verboden woord te gebruiken, blijft in het spel. Wie het woord toch zegt, gaat zitten of doet gewoon de volgende ronde weer mee, afhankelijk van hoe streng je vandaag bent.

Voorbeelden:

  • “Heb je vanochtend ontbeten?”
  • “Vind je spruitjes lekker?”
  • “Ben jij weleens te laat gekomen?”
  • “Welke dag is het vandaag?”

Met taal kun je hem pittiger maken: verboden woord is “en”, “want” of “toen”. De kinderen moeten dan echt nadenken over hun zinnen. Verwacht wel dat iemand expres heel traag gaat praten om tijd te rekken. Dat hoort erbij.

Tip: houd het luchtig. Het doel is wakker worden, niet een afvalrace waar drie kinderen bloedfanatiek van worden.

9 en 10: als je nog twee minuten hebt

Geef de klap door

Dit kan vanaf groep 3 en is ideaal als je les net iets eerder klaar is. Duur: 2 minuten. Materiaal: geen.

Iedereen staat in een kring of achter de stoel. Jij klapt één keer naar het kind naast je. Die geeft de klap door naar de volgende. Eerst gewoon de kring rond. Daarna voeg je regels toe: twee klappen betekent omkeren, een stamp betekent overslaan, handen omhoog betekent allemaal stil.

De lol zit in het tempo. Begin traag, voer het op en stop voordat het rommelig wordt. Bij groep 7/8 kun je een leerling spelleider maken. Die verzint één extra regel, niet vijf. Vijf regels klinkt leuk en eindigt meestal in: “Huh, wat moesten we doen?”

Deze energizer is ook handig om groepsafspraken te oefenen: kijken, wachten, reageren. Als overgangen vaker stroef lopen, past dat mooi bij ideeën rond klassenmanagement, maar voor nu is twee minuten klappen al winst.

30 seconden challenge

Geschikt voor groep 1 t/m 8. Duur: 2 tot 4 minuten. Materiaal: timer op het bord of je telefoon.

Geef een mini-opdracht van 30 seconden. De kinderen doen mee op hun plek, alleen of met hun tafelgroepje. Na de timer stop je meteen. Juist dat korte maakt het fijn.

Voorbeelden:

  • Noem met je maatje zoveel mogelijk dieren met de letter k.
  • Bouw met je handen een zo hoog mogelijke toren in de lucht.
  • Tel fluisterend terug vanaf 40 zonder in de war te raken.
  • Verzin drie dingen die je met een paperclip kunt doen.
  • Maak met je gezicht de emotie “ik snap de som ineens”.

Voor kleuters maak je de opdrachten bewegend: spring als een kikker, loop als een robot, sta zo stil als een boom. Voor de bovenbouw mag er een denkopdracht in, zolang het maar snel blijft.

Gebruik een duidelijk stopsignaal. Timer klaar is handen leeg, monden dicht, ogen naar voren. Klinkt streng, maar anders verandert “nog één rondje” in een kwartier en sta je je taalles terug te onderhandelen met 28 zeer overtuigende kinderen.