Een kind meer laten lezen lukt meestal niet door vaker te zeggen dat lezen goed is. Wat wél helpt: de drempel lager maken, boeken beter laten passen en lezen een normale plek geven in de dag. Zeker bij kinderen die lezen lastig of saai vinden, telt een klein succesmoment zwaarder dan een half uur verplicht doorploeteren.
Begin bij waarom je kind weinig leest
“Hij houdt gewoon niet van lezen” klinkt logisch, maar achter weinig lezen zit vaak iets concreters. Een kind kan technisch moeite hebben met lezen, snel afgeleid zijn, de verkeerde boeken kiezen of simpelweg nooit een rustig moment hebben waarop lezen vanzelf gebeurt.
Kijk een paar dagen mee zonder er meteen een gesprek met grote woorden van te maken. Merk je dat je kind:
- vaak opnieuw begint aan dezelfde zin?
- alleen dikke boeken kiest omdat klasgenoten dat ook doen?
- strips wel pakt, maar gewone leesboeken laat liggen?
- na school te moe is om nog stil te zitten?
- boeken snel weglegt omdat het verhaal niet boeit?
Die signalen vragen elk om een andere aanpak. Een kind dat nog langzaam leest, heeft korte teksten nodig met veel succes. Een kind dat best kan lezen maar niet wil, heeft waarschijnlijk meer keuzevrijheid nodig. En een kind dat alleen strips leest? Dat leest dus al. Dat is geen probleem om op te lossen, maar een ingang.
Maak kiezen makkelijker
In de bibliotheek of boekwinkel staan zó veel boeken dat kiezen juist lastig wordt. Zeker kinderen die weinig lezen, pakken dan vaak iets op basis van de kaft, het aantal bladzijdes of wat een vriend kiest. Dat kan goed gaan, maar vaak ligt het boek na twee avonden weer onder het bed.
Help je kind kiezen met kleine kaders. Niet: “Zoek maar iets moois uit.” Wel: “We zoeken één grappig boek, één weetjesboek en één strip.” Of: “Kies drie boeken waarvan je de eerste bladzijde wilt proberen.”
Handige vuistregels:
| Als je kind... | Kies dan vaker... |
|---|---|
| snel afhaakt | korte hoofdstukken, veel witruimte, series |
| houdt van schermen en weetjes | informatieve boeken, moppenboeken, game-achtige verhalen |
| moeite heeft met lezen | boeken net onder het schoolniveau, luisterboeken naast het boek |
| graag tekent of kijkt | strips, graphic novels, zoekboeken, tijdschriften |
| van spanning houdt | mysteries, survivalverhalen, waargebeurde verhalen |
Laat je kind gerust stoppen met een boek dat niet past. Volwassenen lezen ook niet elk boek uit dat ze beginnen. Spreek bijvoorbeeld af: probeer minimaal tien bladzijden of één hoofdstuk. Daarna mag het boek terug op de stapel.
Voor kinderen in groep 3 is dit extra gevoelig. Ze zijn net aan het leren lezen en willen soms al boeken lezen die qua verhaal bij hen passen, maar technisch nog te moeilijk zijn. Dan werkt samen lezen vaak beter dan corrigeren.
Lees mee, ook als je kind al zelf kan lezen
Veel ouders stoppen met voorlezen zodra een kind zelf kan lezen. Logisch, want er komt een moment waarop je denkt: nu kan hij het zelf. Toch blijft samen lezen in groep 4, 5 en zelfs 6 vaak helpend, zeker voor kinderen die uit zichzelf weinig lezen.
Je hoeft niet elke avond een half hoofdstuk voor te lezen. Probeer korte vormen:
- Jij leest één bladzijde, je kind de volgende.
- Jij leest de dialogen, je kind de verteller.
- Je kind leest hardop tot de timer piept, jij neemt daarna over.
- Jij leest voor op een spannend stuk en stopt net vóór de oplossing. Een tikje gemeen, maar effectief.
Samen lezen haalt druk weg. Je kind hoeft niet het hele boek alleen te dragen. Ook hoort het hoe zinnen lopen, hoe namen worden uitgesproken en waar de spanning zit. Dat helpt vooral bij kinderen die technisch lezen nog veel energie kost. Technisch lezen betekent: woorden vlot en goed kunnen verklanken. Pas als dat soepeler gaat, blijft er meer aandacht over voor het verhaal.
Leesfouten hoef je niet allemaal te verbeteren. Kies alleen fouten die de betekenis veranderen. Als je kind “de” leest in plaats van “het”, kun je meestal gewoon door. Bij “paard” in plaats van “baard” wordt het verhaal wél vreemd, dus dan grijp je kort in.
Geef lezen een vaste, kleine plek
Meer lezen klinkt groot, maar het begint vaak met tien minuten. Vaste momenten werken beter dan losse voornemens. Na het tandenpoetsen. Voor het ontbijt in het weekend. In de auto met een luisterboek. Op woensdagmiddag met een strip op de bank.
Maak het moment klein genoeg om vol te houden. Een kind dat nooit leest, gaat niet ineens elke dag dertig minuten lezen omdat er een mooi schema op de koelkast hangt. Begin met vijf of tien minuten en stop terwijl het nog goed gaat. Liever vier korte momenten per week zonder strijd dan één lange sessie met zuchten, onderhandelen en dorst die precies na twee zinnen ontstaat.
Een paar praktische afspraken kunnen helpen:
- Leg boeken op plekken waar je kind toch al komt: naast het bed, bij de bank, in de auto.
- Zet schermtijd niet tegenover leestijd als straf. “Eerst lezen, dan tablet” kan werken, maar maakt lezen al snel het vervelende poortje.
- Lees zelf zichtbaar. Niet omdat je kind dan magisch volgt, maar het maakt lezen normaal.
- Houd een stapeltje wisselboeken in huis. Eén boek is snel “niks”.
Voor school kan dezelfde gedachte werken. Een klas waarin boeken zichtbaar en makkelijk te pakken zijn, leest sneller tussendoor. Leerkrachten vinden praktische ideeën in het artikel over een klassenbibliotheek met weinig budget.
Accepteer strips, tijdschriften en luisterboeken
Niet elk kind wordt enthousiast van een dik leesboek met hoofdstukken. Dat hoeft ook niet de enige route te zijn. Strips vragen leesbegrip: je kind combineert tekst, beeld, volgorde en humor. Informatieve boeken nodigen uit tot bladeren en teruglezen. Tijdschriften hebben korte stukjes, wat fijn is voor kinderen die snel afhaken.
Luisterboeken zijn geen valsspelen. Ze bouwen woordenschat op, laten kinderen kennismaken met verhalen die ze zelf nog niet aankunnen en kunnen zin geven om later het boek erbij te pakken. Voor zwakke lezers kan meelezen met een luisterboek prettig zijn: de stem trekt het tempo vooruit, het boek houdt de ogen bij de tekst.
Variatie is juist handig. Een leesweek kan er zo uitzien:
- maandag: tien minuten strip
- dinsdag: samen een hoofdstuk lezen
- woensdag: luisterboek in de auto
- donderdag: weetjesboek over dieren, voetbal of ruimte
- zondag: voorlezen op de bank
Dat telt allemaal mee. Het doel is niet dat je kind in één rechte lijn naar literatuur groeit. Het doel is dat lezen minder zwaar en vaker aantrekkelijk wordt.
Praat over boeken zonder er een boekbespreking van te maken
Kinderen haken snel af als elk boek eindigt met controlevragen. “Wat was de hoofdgedachte?” is nuttig op school, maar thuis mag een gesprek over lezen losser zijn. Vraag liever iets wat lijkt op hoe volwassenen over series praten.
Bijvoorbeeld:
- “Welk personage zou jij niet vertrouwen?”
- “Was dit stuk grappig of vooral raar?”
- “Zou je nog een boek van deze schrijver willen?”
- “Welke bladzijde moet ik echt even zien?”
Zo laat je merken dat lezen ergens over gaat. Niet over minuten maken, maar over verhalen, informatie, smaak en mening. Een kind dat mag zeggen “dit boek is saai” leert ook beter kiezen. Vraag dan door: saai omdat er te weinig gebeurt, omdat de zinnen lastig zijn, of omdat het onderwerp je niets kan schelen?
Rond de Kinderboekenweek kun je dit makkelijk groter maken, thuis of in de klas. Het thema geeft kinderen vaak een reden om boeken te proberen die ze anders niet zouden pakken. Op Werkboekjes.nl staat ook een artikel over Kinderboekenweek in de klas met ideeën die je klein kunt aanpassen voor thuis.
Let op het verschil tussen niet willen en niet kunnen
Soms lijkt een kind ongemotiveerd, terwijl lezen vooral te moeilijk is. Dan hoor je zinnen als “lezen is stom”, maar zie je eigenlijk frustratie. Let op vermijdgedrag: steeds naar de wc moeten, boos worden bij hardop lezen, raden op basis van de eerste letter, heel moe zijn na een paar regels.
Blijft lezen opvallend moeizaam, bespreek dit met de leerkracht. Vraag concreet: hoe gaat het technisch lezen, begrijpt mijn kind wat het leest en welk niveau past nu echt? Je hoeft thuis geen extra schooltje te spelen. Een paar passende boeken en korte oefenmomenten kunnen genoeg zijn, maar dan moet je wel weten waar de schoen wringt.
Bij kinderen in groep 5 tot en met 8 speelt nog iets anders: schaamte. Ze willen geen “makkelijk” boek lezen als anderen dikke boeken hebben. Dan helpt het om boeken te zoeken die er niet kinderachtig uitzien, maar wel vlot lezen. Denk aan graphic novels, series met veel vaart, informatieve boeken met korte tekstblokken of dyslexievriendelijke uitgaven.
Maak van lezen geen strijd om karakter
Zinnen als “jij leest ook nooit” of “je moet gewoon meer doorzetten” maken lezen groter dan het is. Ze raken aan wie een kind is, niet aan wat het doet. Beter is het om concreet te blijven: “We lezen nu tien minuten en jij kiest welk boek.” Of: “Dit boek past niet, we zoeken iets anders.”
Een leesdip kan ook tijdelijk zijn. Na een drukke schooldag, in een periode met veel toetsen of bij een kind dat liever beweegt, is stil lezen soms gewoon veel gevraagd. Dan werkt een omweg beter: samen naar de bibliotheek, een moppenboek op tafel, een luisterboek tijdens het bouwen, een strip naast het ontbijt.
Wie thuis meer wil oefenen met taal en lezen, vindt op de categoriepagina Taal & lezen meer uitleg en ideeën. Kies één tip die deze week haalbaar is. Een kind dat weer één boek pakt zonder zuchten, heeft al een betere start dan gisteren.



