Een bakje dobbelstenen op je bureau is soms genoeg om een rekenles weer aan te krijgen. Geen stapel kopieën, geen halve knutselwinkel, gewoon gooien en rekenen. Vooral in groep 3 en 4 werkt dat fijn: de kinderen zijn bezig, horen getallen hardop en merken meteen of een antwoord kan kloppen.
De spelletjes hieronder kun je meestal in 10 tot 15 minuten spelen. Handig voor een circuit, een klaar-opdracht of zo’n moment waarop je planning drie minuten eerder klaar is dan je klas. Zet eventueel een timer zichtbaar neer; zo wordt tijd minder abstract, zeker voor kinderen die nog bezig zijn met het leren lezen van de klok.
Dobbelsteenrace tot 20 of 100
Dit is een fijne start als je met optellen wilt oefenen. Voor groep 3 speel je tot 20 of 30. Voor groep 4 kun je doorschuiven naar 50 of 100, zeker als je twee dobbelstenen gebruikt.
Je hebt per tweetal nodig: één of twee dobbelstenen, een kladblaadje en een potlood. De kinderen gooien om de beurt. Het gegooide aantal tellen ze op bij hun vorige totaal. Wie precies op het eindgetal komt, wint.
Een voorbeeld voor groep 3:
- Start bij 0.
- Gooi één dobbelsteen.
- Tel door: 0 + 5 = 5, daarna 5 + 3 = 8.
- Wie als eerste precies 20 maakt, heeft gewonnen.
Dat woordje “precies” maakt het spel ineens interessanter. Sta je op 18 en gooi je 5? Dan mag je niet verder. Je beurt gaat voorbij. Sommige kinderen vinden dat eerst nogal onrechtvaardig, wat meestal betekent dat het spel werkt.
Voor groep 4 kun je er een aftrekvariant van maken. Start op 100 en gooi met twee dobbelstenen. De kinderen trekken het aantal af. Wie precies op 0 komt, wint. Laat ze de sommen opschrijven als je wilt zien hoe ze rekenen. Speel je vooral voor tempo en plezier, dan kan mondeling rekenen ook prima.
Valkuil: met drie kinderen per groepje duurt wachten al snel lang. Tweetallen werken hier het lekkerst. Bij een oneven aantal kinderen maak je liever één drietal met twee dobbelstenen, waarbij de derde leerling controleur is en na elke ronde wisselt.
Maak het grootste getal
Voor dit spel heb je per tweetal twee dobbelstenen nodig. Groep 3 oefent hiermee getalbegrip tot 66, groep 4 kan er handig mee werken aan tientallen, eenheden en vergelijken.
De kinderen gooien twee dobbelstenen. Met de twee ogen maken ze een getal. Gooien ze 3 en 5, dan kunnen ze 35 of 53 maken. Ze kiezen het grootste getal en schrijven dat op. De ander doet hetzelfde. Het hoogste getal krijgt een punt.
Na vijf rondes tellen ze de punten. Klaar.
Wil je groep 4 iets meer laten nadenken? Laat ze ook het kleinste getal maken, of het verschil tussen de twee getallen uitrekenen. Bij 3 en 5 wordt dat 53 - 35 = 18. Dat is meteen een mooie oefening in aftrekken over het tiental, zonder dat het voelt als rijtjes maken.
Je kunt ook spelen met drie dobbelstenen. Dan maken de kinderen het grootste driecijferige getal. Gooien ze 2, 4 en 6, dan wordt dat 642. Laat ze daarna het kleinste getal maken: 246. Het verschil is pittig, maar voor sterke rekenaars in groep 4 heel geschikt.
Een simpele klassikale uitleg werkt zo:
“Je gooit. Je kijkt. Je bouwt het grootste getal dat kan. Je zegt hardop waarom.”
Dat laatste is handig. Kinderen die 36 groter vinden dan 63, hoor je meteen. En dan kun je kort ingrijpen, zonder er een hele instructie van te maken.
Dobbelbingo met sommen
Dobbelbingo is rustig genoeg voor na de lunch en actief genoeg om niet in slaap te sukkelen. Je gebruikt twee dobbelstenen en laat de kinderen een bingoveld maken van 3 bij 3 vakjes.
Voor groep 3 laat je getallen kiezen tussen 2 en 12. Jij of een leerling gooit met twee dobbelstenen. De klas telt de ogen op. Staat het antwoord op hun kaart, dan mogen ze dat getal afstrepen. Wie drie op een rij heeft, roept bingo.
Voor groep 4 kun je de bewerking aanpassen:
- optellen met twee dobbelstenen: 4 + 6 = 10
- vermenigvuldigen: 4 × 6 = 24
- verschil bepalen: 6 - 4 = 2
- verdubbelen: gooi 5, maak 10
Bij vermenigvuldigen laat je de kinderen getallen op hun kaart zetten die kunnen ontstaan met twee dobbelstenen: 1 tot en met 36, maar niet alle getallen doen mee. Dat levert meteen gesprek op. Kan 29 eigenlijk wel? Nee. Kan 24? Ja, 4 × 6.
Speel dit niet te lang. Drie rondes is vaak genoeg. Daarna gaan sommige kinderen vooral bezig met “bijna bingo” zijn en minder met rekenen. Je kent het gezicht wel: potlood boven het vakje, adem ingehouden, alsof de Cito-score ervan afhangt.
Tip voor controle: laat na elke worp een kind de som hardop zeggen. Niet alleen het antwoord, maar de hele som. “Ik gooi 3 en 6, dus 3 keer 6 is 18.” Dat scheelt misverstanden op bingokaarten met creatieve streepjes.
Rennen naar de juiste hoek
Soms wil je geen tafelgroepjes en potloden, maar even beweging. Dan werkt deze goed. Duur: 5 tot 8 minuten. Geschikt voor groep 3 en 4, met kleine aanpassingen.
Leg in vier hoeken van het lokaal een kaart: 0-5, 6-10, 11-15 en 16-20. Jij gooit met drie dobbelstenen en noemt de som. De kinderen rekenen uit in welke hoek het antwoord past en lopen daarheen.
Voor groep 3 gebruik je twee dobbelstenen en kleinere antwoordvakken. Voor groep 4 kun je drie dobbelstenen gebruiken, of één dobbelsteen laten verdubbelen. Bijvoorbeeld: je gooit 4, 3 en 2. De opdracht is: verdubbel de hoogste dobbelsteen en tel de rest erbij. Dan krijg je 8 + 3 + 2 = 13.
Maak vooraf afspraken, want anders verandert “lopen naar de hoek” in een kleine evacuatieoefening.
Zeg bijvoorbeeld:
- Je loopt, je rent niet.
- Je kiest eerst zelf, dan kijk je pas naar je buur.
- In de hoek blijf je staan tot we het antwoord hebben besproken.
Dit spel is fijn als korte rekenbreak. Als je meer van dit soort beweegmomenten zoekt, past 10 energizers voor tussen de lessen door er mooi naast. Kies wel: óf even flink bewegen, óf rustig door met rekenen. Allebei tegelijk kan, maar dan moet je lokaal er zin in hebben.
Gooi, kleur en maak tien
Dit spel is vooral fijn voor groep 3, maar groep 4 kan het gebruiken als snelle herhaling van splitsingen en aanvullen tot 10 of 20. Je hebt per leerling een blad nodig met vakjes waarin de getallen 1 tot en met 10 staan. Dat mag heel simpel: tien rondjes, tien vierkantjes, of een rij getallen.
De kinderen gooien met één dobbelsteen. Ze kleuren het getal dat ze gooien. Daarna zoeken ze het getal dat erbij hoort om 10 te maken. Gooien ze 4, dan kleuren ze ook 6. Gooien ze 1, dan hoort 9 erbij.
Zijn beide getallen al gekleurd? Dan gaat de beurt voorbij. Wie als eerste alle getallen heeft gekleurd, wint.
Voor groep 4 maak je er “maak 20” van. Dan werk je met twee dobbelstenen. De kinderen gooien bijvoorbeeld 8, en kleuren 12 als aanvulling tot 20. Je kunt dit op een getallenlijn laten doen als je merkt dat kinderen blijven gokken.
Een andere variant: laat ze niet kleuren, maar fiches leggen. Dat scheelt gedoe met gummen en opnieuw gebruiken. Een gelamineerd blad met whiteboardstift werkt ook, al heb je dan natuurlijk precies die ene stift die het niet doet.
Let op bij kinderen die moeite hebben met splitsingen. Laat ze een splitskaart of rekenrek gebruiken. Het spel blijft hetzelfde, maar de frustratie blijft lager. En ja, dat is soms het verschil tussen oefenen en potloodkauwen.
Dobbelduel: hoger, lager of gelijk
Dit is een snel spelletje voor tussendoor. Per tweetal heb je twee dobbelstenen nodig, liefst met verschillende kleuren. De ene kleur is voor speler A, de andere voor speler B.
Beide kinderen gooien tegelijk. Ze vergelijken de getallen. Wie het hoogste gooit, krijgt een punt. Dat klinkt bijna te simpel, maar je kunt het stap voor stap moeilijker maken.
Voor groep 3:
- Gooi één dobbelsteen per kind en vergelijk.
- Gooi twee dobbelstenen per kind en tel op.
- Wie het hoogste totaal heeft, krijgt een punt.
Voor groep 4:
- Gooi twee dobbelstenen en vermenigvuldig.
- Gooi drie dobbelstenen en tel handig op.
- Gooi twee keer en vergelijk de totaalscore.
Na tien rondes stopt het spel. Niet “tot iemand geen zin meer heeft”, want dan weet je precies wie er nog twintig minuten doorgaat en wie na ronde drie onder tafel naar een gum zoekt.
Je kunt er rekentaal aan koppelen. Laat de winnaar niet alleen “ik win” zeggen, maar: “12 is groter dan 9” of “24 is hoger dan 18”. Bij gelijke stand zeggen ze: “De scores zijn gelijk.” Kort, duidelijk, en het helpt vooral de kinderen die de tekens > en < nog verwarrend vinden.
Wil je het rustiger houden? Laat één kind gooien en de ander controleren. Na vijf worpen wisselen ze. Dat werkt goed bij tweetallen waarin de één heel snel rekent en de ander steeds achter de feiten aan hobbelt.
Handig klaarzetten zonder extra werk
Een dobbelstenencircuit loopt soepeler als je niet tijdens de les nog bakjes bij elkaar staat te scharrelen. Maak één rekenbakje met dobbelstenen, fiches, kladblaadjes en een paar kaartjes met spelregels. Meer hoeft het niet te zijn.
Schrijf de spelregels kort op kaartjes:
- Wat heb je nodig?
- Wat doe je als je aan de beurt bent?
- Wanneer is het spel klaar?
Voor groep 3 kun je pictogrammen tekenen: dobbelsteen, potlood, klaarvakje. Voor groep 4 is een korte tekst meestal genoeg. Laat een keer twee kinderen voordoen hoe het spel werkt. Dat voorkomt tien vingers in de lucht met dezelfde vraag, meestal net wanneer jij bij een ander groepje zit.
Bewaar de dobbelstenen op een vaste plek en spreek af hoe ermee gegooid wordt. In een bakje, op een viltje of in een deksel van een schoenendoos. Zonder zo’n afspraak eindigt er altijd eentje onder de kast, precies naast dat oude rozijntje van vorig schooljaar.
Begin met één spel en speel dat een paar keer. Als de klas het kent, kun je wisselen of er een tweede spel naast zetten. Dobbelstenen blijven simpel materiaal, maar met duidelijke regels voelen ze voor kinderen al snel als een echt rekenspel.



