De eerste schoolweek heeft altijd iets bijzonders. Nieuwe tafelgroepjes, kinderen die nog zoeken waar de wc is, en jij die probeert om alle namen niet door elkaar te gooien vóór de ochtendpauze. Kennismakingsspelletjes helpen dan echt, zolang ze niet te lang duren en niemand zich bekeken voelt alsof het een spreekbeurt is.

Naam en beweging

Dit is een fijne starter voor groep 1 t/m 8, met een kleine aanpassing voor de bovenbouw. Reken op 10 tot 15 minuten. Je hebt niets nodig, behalve een kring en een beetje ruimte om niet tegen het digibord te zwaaien.

Iedereen zegt de eigen naam en maakt er een beweging bij. “Ik ben Sam,” met een sprongetje. “Ik ben Noor,” met twee duimen omhoog. De groep herhaalt de naam en de beweging samen. Daarna gaat de volgende.

Bij kleuters en groep 3 houd je het simpel: naam, beweging, klaar. In groep 5 t/m 8 kun je er een kleine uitdaging aan geven: de beweging moet iets vertellen over wat je graag doet. Een voetbalschop, een leesgebaar, een dramatische slaapbeweging omdat iemand van uitslapen houdt. Dat laatste levert meestal meteen herkenning op.

Maak de ronde niet te streng. Sommige kinderen bedenken op het moment zelf niets en dat is prima. Laat ze kiezen uit drie makkelijke bewegingen: zwaaien, klappen of draaien. Het doel is niet dat iedereen origineel is. Het doel is dat namen blijven hangen en dat de spanning uit de kring zakt.

Valkuil: dit spel kan traag worden als kinderen lang nadenken. Geef daarom vooraf 20 seconden bedenktijd. Zeg erbij dat de eerste beweging die in je hoofd komt vaak goed genoeg is. Dat scheelt een hoop gestaar naar het plafond.

Zoek iemand die...

Geschikt voor groep 4 t/m 8. Duur: 15 tot 20 minuten. Materiaal: een werkblad met vakjes of een leeg blaadje waarop kinderen zelf een korte lijst maken. Voor groep 3 kan het mondeling met plaatjes, maar dan moet je het goed begeleiden.

Je geeft de kinderen een lijst met opdrachten zoals:

  • Zoek iemand die een huisdier heeft.
  • Zoek iemand die in de vakantie heeft gezwommen.
  • Zoek iemand die graag tekent.
  • Zoek iemand die dezelfde lievelingskleur heeft als jij.
  • Zoek iemand die een broer of zus heeft op school.

Kinderen lopen door de klas en vragen elkaar korte vragen. Vinden ze iemand die past, dan schrijft diegene de naam in het vakje. Spreek af dat dezelfde naam maximaal twee keer op het blad mag staan, anders eindigt iedereen bij de drie snelste praters van de klas.

Voor de bovenbouw kun je de vragen net iets minder standaard maken. “Zoek iemand die liever vroeg opstaat dan laat naar bed gaat” of “Zoek iemand die een liedje in het hoofd heeft vandaag”. Houd het luchtig. Je wilt gesprekken op gang brengen, geen intakeformulier.

Handig zinnetje vooraf: “Je mag nee zeggen zonder uitleg.” Dat geeft rust, vooral bij vragen over thuis, vakantie of familie. Niet ieder kind heeft zin om daar meteen iets over te vertellen in week één.

Bespreek na afloop drie of vier vondsten. Niet elk vakje hoeft klassikaal langs. Vraag liever: “Wie ontdekte iets onverwachts?” Dan krijg je vaak de leukste reacties, zoals twee kinderen die allebei een cavia hebben die eigenlijk van niemand echt is omdat de ouders hem verzorgen.

De klas als levend lijnenspel

Dit spel werkt goed voor groep 3 t/m 8. Duur: 10 minuten per ronde, of 20 minuten als je er lekker in zit. Materiaal heb je niet nodig, al is een lege ruimte in het lokaal wel handig. Schuif desnoods twee tafels scheef en noem het flexibel meubilair.

Je noemt een opdracht waarbij kinderen zichzelf in een lijn moeten plaatsen. Bijvoorbeeld van jong naar oud, van dicht bij school wonen naar ver weg, of van “ik houd van lezen” naar “ik lees alleen als het moet”. Ze mogen praten, overleggen en schuiven tot de lijn klopt.

Begin met veilige vragen:

  • geboortemaand
  • aantal letters in je voornaam
  • hoe lang je op school zit
  • liever patat of pannenkoeken

Daarna kun je iets meer mening toevoegen. “Hoe wakker voel je je vandaag?” werkt verrassend goed op maandagochtend. De kinderen plaatsen zichzelf van heel slaperig naar stuiterend wakker. Je ziet meteen wie je beter niet als eerste een schaar kunt geven.

Bij kleuters kun je dit versimpelen door twee hoeken te gebruiken. Jij zegt: “Houd je van appels? Ga naar deze kant. Houd je meer van bananen? Ga naar die kant.” Maak er geen afvalrace van. Niemand ligt eruit, iedereen beweegt.

De valkuil zit in het vergelijken. Bij opdrachten over wonen, gezin of spullen kan het gevoelig worden. Kies daarom in de eerste week vooral voor voorkeuren, namen, maanden en kleine gewoontes. De rest komt later wel, als de groep veiliger voelt.

Mijn voorwerp, mijn verhaal

Voor groep 1 t/m 8, maar de vorm verschilt per leeftijd. Duur: 20 tot 30 minuten, afhankelijk van het aantal kinderen. Materiaal: ieder kind neemt een klein voorwerp mee, of kiest iets uit de klas. Denk aan een sleutelhanger, steentje, foto, voetbalkaartje, knuffeltje of een potlood dat al half is opgegeten door de puntenslijper.

Laat de kinderen in tweetallen vertellen over hun voorwerp. Geef drie vaste vragen op het bord:

  1. Wat is het?
  2. Waarom koos je dit?
  3. Wat wil je dat de ander onthoudt?

Daarna stelt ieder kind de ander kort voor aan een tafelgroepje of aan de klas. “Dit is Lina. Ze nam een schelp mee, omdat ze in de vakantie veel op het strand was. Ze wil dat we onthouden dat ze graag dingen verzamelt.”

Het mooie hiervan is dat kinderen niet rechtstreeks over zichzelf hoeven te beginnen. Het voorwerp doet een stukje van het werk. Voor stille kinderen is dat vaak prettiger. Voor praters is het juist handig om de drie vragen strak te houden, anders zitten jullie om half elf nog bij de sleutelhanger uit Spanje.

Voor groep 1/2 kun je het in een kleine kring doen met vijf kinderen tegelijk. De rest speelt of werkt aan tafel. Laat kleuters één zin zeggen: “Ik koos dit omdat...” Jij herhaalt rustig en helpt waar nodig. Zo blijft het behapbaar.

Tip voor kinderen die niets bij zich hebben: leg een klein bakje klaar met klasvoorwerpen. Een gum, dobbelsteen, blokje, veer, plastic dino. Laat ze kiezen en er iets bij verzinnen. Dat mag best. Fantasie zegt ook iets over een kind.

Wie zit er achter het kaartje?

Dit spel is fijn vanaf groep 5, en met wat hulp ook in groep 4. Duur: 15 minuten. Materiaal: kaartjes of halve blaadjes, pennen en eventueel een bakje.

Ieder kind schrijft drie weetjes over zichzelf op een kaartje, zonder naam. Eén weetje mag makkelijk zijn, één mag grappig zijn, één mag iets verrassends zijn. Geef voorbeelden, anders krijg je twintig keer “ik houd van pizza”.

Bijvoorbeeld:

  • Ik kan met mijn oren wiebelen.
  • Ik heb ooit een kip vastgehouden.
  • Ik raak altijd mijn gum kwijt.

Doe alle kaartjes in een bakje. Jij leest er één voor. De klas raadt van wie het kaartje is. Spreek af dat kinderen niet door elkaar roepen, maar hun hand opsteken of fluisterend overleggen met hun tafelmaatje. Zeker in een nieuwe groep kan raden snel druk voelen.

Maak er geen wedstrijd van. Het gaat niet om punten, maar om herkenning. Als een kaartje niet geraden wordt, mag de schrijver zelf opstaan. Vaak komt er dan alsnog een kleine reactie uit de klas: “Echt? Jij hebt een kip vastgehouden?” En dan heb je precies wat je wilt: een gesprek dat vanzelf begint.

Let op met te persoonlijke weetjes. Zeg vooraf wat niet hoeft: adressen, geld, ruzies, medische dingen, geheimen. Sommige kinderen nemen opdrachten heel letterlijk en schrijven dan iets op waarvan jij denkt: oei, dat bewaren we voor een ander moment.

Tafelgroep-bingo

Geschikt voor groep 3 t/m 8. Duur: 15 tot 25 minuten. Materiaal: bingokaarten met negen vakjes of lege rasters. Dit spel is handig als je de klas al in tafelgroepjes hebt gezet en wilt dat kinderen niet alleen met hun vaste vriend of vriendin praten.

Elke tafelgroep krijgt een bingokaart met opdrachten die ze samen moeten afvinken. Ze mogen pas een vakje aankruisen als ze van iedereen aan tafel iets hebben gehoord. Zo voorkom je dat één enthousiaste leerling de hele kaart namens de groep volpraat. We kennen er allemaal wel eentje.

Voorbeelden voor op de kaart:

  • Iedereen noemt een lievelingseten.
  • Vind twee dingen die jullie gemeen hebben.
  • Bedenk samen een tafelgroepnaam.
  • Iedereen vertelt iets waar die goed in is buiten school.
  • Kies een geluid of gebaar voor jullie groepje.

Bij groep 3 kun je werken met plaatjes: eten, sport, dieren, kleuren, spelen. Jij leest de opdracht voor en de kinderen tekenen of leggen een fiche op het vakje. Bij de bovenbouw kun je een extra opdracht geven: presenteer aan het einde één overeenkomst en één verschil binnen jullie groepje.

Voor groepjes of kinderen die eerder klaar zijn, helpt een klein keuzemenu met verdiepende opdrachten; deze ideeën voor snelle werkers voorkomen dat ze alleen meer van hetzelfde krijgen.

De valkuil: tafelgroep-bingo kan rumoerig worden. Niet een beetje rumoerig, maar “waarom staat er iemand onder de tafel?”-rumoerig. Zet daarom een duidelijke stemafspraak neer. Bijvoorbeeld: praten op tafelstem, niet door de klas lopen, en als jij je hand opsteekt is het binnen vijf tellen stil. Oefen dat één keer droog. Ja, ook in groep 8.

Als je merkt dat de concentratie na dit soort spellen wegzakt, plan dan liever een korte beweegpauze dan nog een gesprek in de kring. Deze 10 energizers voor tussen de lessen door passen goed bij zo’n eerste week, vooral als de klas nog moet wennen aan elkaar en aan jouw ritme.

Maak het klein genoeg om veilig te voelen

Een kennismakingsspel hoeft niet spectaculair te zijn. In de eerste week is klein vaak beter: korte rondes, duidelijke keuzes en vragen waar kinderen zonder schaamte op kunnen antwoorden. “Wat eet je graag op brood?” werkt soms beter dan “Vertel iets bijzonders over jezelf”, omdat de helft dan blokkeert en de andere helft begint over een achtbaan in Frankrijk.

Wissel praten af met bewegen. Na een kringgesprek past een lijnenspel goed. Na een druk loopspel is een rustig kaartje schrijven fijner. Plan liever twee korte spelletjes op een dag dan één lange activiteit waarbij de laatste tien minuten alleen nog de planten luisteren.

Ook handig: speel zelf mee, maar houd het kort. Vertel iets menselijks, niet je hele levensverhaal. “Ik ben mijn koffiebeker al twee keer kwijtgeraakt deze week” is genoeg. Kinderen mogen best merken dat jij ook nieuw bent in deze groepssamenstelling. Dat maakt de drempel lager.

Bewaar na de spelletjes een paar namen, weetjes of overeenkomsten op een kladblaadje. Niet als administratieproject, gewoon voor jezelf. Als je later in de week zegt: “Jij had toch die cavia?” zie je vaak meteen een gezicht openklappen. En ja, dan blijkt de cavia soms een hamster te zijn. Ook goed.